Sterven overdag

26 De weg

Paden in de stille mist, tienduizend druppeltjes.

Een rammelende avond in de stroomverbruikende binnenstad met duizend kreten.

Elkeen verlangt, en niemand weet waarheen. Vreemd gras weet meer dan wij.

Zoals het aanflitsen van een zaklamp ‘s nachts, komt telkens een dag. Verduisterd onze blik zodat per kans wij weinig zien – denken dikwijls aan pluizen en wind, aan regen en wat water wegstroomt.

Glim en gewin van kleine dingen waarmee de dag bestrooid is, en spel dat nachtgefluister wou vervullen overdag.

Leven en welzijn? Diep donker, zo donker dat de velen het wijd bestaan ontgaat. En vinden zij bij het schaars aangaan van geluid en licht zich weer, dan denken ze : wat wij zagen, dat was het. Hulpeloos storten ze van ons weg tussen het besefte.

Onze beste dagen zijn nog maar paarlen in de halsketting van de nacht. En als ik zoek naar dagen die wachten zie ik niets dan een rij lichtjes in donker. Gering hun post in nacht’s vijandelijk gebied, ooit bestreden landschap waar onze schaduwen de knechten zijn van vreemde koningen en lang bleek gras naar kraters neerhangt. Zo ademt zwart. Stil stranden daar nachtelijke luchtschepen op rotsblokken.

 

27 De manmoedigen

Een slinkende schare houdt met machtig treffen stand. Geen spreekt – de taak werd eenvoudig. Steeds vermoeider hun armen, slaat hun zwaard, dekt en slaat, metaalgeklank voetschuifelen. Elk volhardt, verdedigt zijn god en blank vlees en eert zijn ziel.

Geen bevel meer en sterren zonnen zinken samen op kaatsend staal. Stilzwijgend zingen is voor goden hoorbaar, zoals de ziel zingt in het groot aanschijn. Een blonde jongen vecht met grote ogen door, nog ik, nog ik, een dapper hoofdman stort zwijgend in. Een zwartgebaarde nijpt blik en lippen en herbegint een veldslag, hij maait op ontstelden in als na twee nachten rust, maar reeds van verre ziet hij zelf zijn laatste daden. Drie buren neen nog twee, hakken verwoed als één lijf en schild en twintig zwaarden, ginds sabelt bliksemsnel een oud tanig man en deelt zijn lessen ditmaal bloedig uit. Elk weet wat hier gebeurt. Hier vecht de rest van kracht en straks als zij tezamen neerliggen, raast zich hun stad in vlammen tot rouwend puin. Dan bersten moord en schande over het tere en beste der dagen.

Licht, licht.

 

28 Een h-bom

Ik god van zee
ben de god van het zuidelijk water
(de diepst groene afgrond)

Zij noemen mij ondankbaar
zij zeggen:
Watergod vloeiende watergod
hebben wij je niet altijd versierd
met onze scheepjes?

ik ben maar een god

IK BEN BEVREESD EN KOOK PLOTSELING OP DE KUSTEN VAN JAPAN

ik klaag en ik spoel
en ik jaag mijn vissertjes de zee uit

 

29 Wij zijn brandhout

re-joyce in homeros

Brandhout zijn wij, wij zijn brandhout
morgen stookt men ons tot rook
gelukkig dat ik niet van land houd
dus drijfhout ben ik. – Om kaap Hoop

drijf ik oostwaarts, met mijn drijfziel
onder mijn arm van drijfhout drijfhout –
lijfsbehoud is wat mij stijf houdt
spoelt een zee de houten hiel.

In mijn drijfziel diep verstoken
ween ik dat mijn leven standhoudt
drijvenszat, was ik maar rook en
brandhout, smeulend brandhout.

Brul ik woordloos in mijn lijfhout
Maak mij brandhout, maak mij sterfhout –
maar ik drijf en blijf een zwerfhout
Brandhout zijn wij, brandhout lijfhout.

 

30 Ulysses

Unde et memores (H.Mis)

Toen Nomen werd verhoogd op barenden van noodzee
en weeraf viel geschopt en bang
strak om zijn hart de smijterij
in grauw en zwart

withandig houtbehoud
en klampend zich verbazen dat de dood
alweer –

Uit welk luw land (een dorp, een hemelstad?)
dat natte hemd

– de afkomst onbekend, weet niet
van zijn geval, ik ken niet eens zijn naam.
Ik dacht alleen, in de Homeruslaan
alwaar ik wandel:
die man bestaat. En straks gaat hij eraan.

Unde ille, unde undae?

 

31 Herkenning

M. Nijhoff

water
begonnen als verwisseling mijn spiegeling dingen vermist.
latere
dwalende rimpeling – adem – glijding dralende sterveling.
helder
geheim – verwijlende mengeling watertaal
kijk
even gebleven
teer,
in ‘n beving stippelend een drenkeling.

 

32 Centre-ville

hans lodeizen

dans la rue recherche du poteau centre-vie
je m’enfuis j’ai peur parmi les chances. et ici
j’entends la vie des fleurs, le signe des silences.

les gens dans la rue cortège confondu de la ville
au fond d’un bateau d’éternité qui flotte, pitié,
sur ondes inconscientes d’un dieu que nul ne sonde
les gens tâtant leur monde:
leurs petites choses, espoir de précision …

– sont plus précises les parfumées de mort
les silencieuses fleurs sans âme ni espérance.