Portretten

34 Portret van Utrecht

Dom-carillon

klokken zingen zware kinderhemel.
een wijsje door groot brons bemachtigd
onze lucht draaft te paard en
wijdaanwaaien eerdere triltallen.

daveren tintelend rammen
van klank
en zwaar bronzen herten haastig
bestormers van hoorlichaam mens?

schot op stoot in de hymne
rankere
ijzeren spelletjes
de burgers bouwden een toren

 

35 Portret van Rotterdam (1)

Mijn bouwend Rotterdam
won een verstand van dagen
de nachten zijn er stom.

Weemoed en mijn klagen
zijn in dit heldere beton
gesloten

vragen.

 

36 Portret van Rotterdam (2)

Men doet wat kan.
Wie won die kan wat wagen.
De dood?
Die wordt hier hoofdelijk omgeslagen.

 

37 Portret van Den Haag

Plagen vallen over ‘s Gravenhage.

een verlaten
tijd inwaait in die straten
kinderen:
speelgoed achterlaten

in trage wijken aangericht.

een steengezicht nu
alleenig, om in na te haten.
Hagar, Hagar
het viel op
nou? op ‘s Gravenhage.

 

38 Bezetting

Een winterland van kleine dagen
na-herfstig, waar weerwindvlagen
rumoeren in de saaie straten
koud onbehagen –

Ik loop, er wordt hier hard geslagen.
Heb mijn buitenkant verlaten
heel binnenin mijn jas en ziel
beknopt gericht op puur verdragen –

Het daget niet maar blijf mobiel.

 

39 Portret van de maan

Zo ben ik naamloos als de maan
Wel honderd reizen hiervandaan
is mijn innige bestaan.
De maan staart mij beduidend aan.
‘Mijn teken. Zul je níet verstaan.’

 

40 Portret van een hond

de ring was koper de ring was rond
en sloot met een slot
om de poot van een hond
de hond sprak blaffend de maan verstond
de stem van een hond, de stem van een hond.

 

41 Portret van een vis

Wat er in de wereld is:
liever natter is een vis
ver van blij en ver van driet
is vis hier of is er niet
en wat er waar van is is water.

 

42 Meneren-geheim

Ik ben een klok.
En op de wijzers van mijn tijd
kom ik dagelijks te laat
om nog te leven.

 

43 Een heer

ik ben de heer die zich moe voelt
na al wat voornamelijk jeugd is.
gekleed in een broek en een tafel
en een jas die mij toedoet.

de wind is een bel aan de voordeur.

 

44 Een man

Ardaan in zijn buitenste brandkamer
sloeg, tot vonken stukken
rood spoten en braken.
Men wist: daar hamert Ardaan.

Som staren vrouwen bij hun bezigheid.