Leven ‘s nachts

18 Mijn volk

Ik hef mijn hand en ik droom.

Een dag van goud (aan dichters bekend).
De te leren god: de streling der dingen.

elk woord een paring
van helder met kleur uit de diepte
– en waar lichaam bij lichaam ligt
gaat zo’n soort woord.

Dit is het heimwee
dat het gebleven gereis van
de zon met zich meebrengt:

te leven, de ziel in de oosthand.

 

19 Elf zelf

bevloeide woestijnen ‘s nachts
gelaafd is de ziel aan het water
het verdroogde wordt geurig.

voeten zachtjes omspoeld
staat een jongeling op en ontvouwt zich –
gegroeid op de drinkende vlakte.

zo slapen wij weg en gedroomd
is de held van het waterig slagveld
met bloemen omkranst en gefluister.

 

20 De slaaf

Aan de gracht woont een man met een twistwijf
maar ‘s nachts is hij heimelijk vis
met kwistige staart in het zielwater
is hij Eenlijf de eigene.

Ja ‘nachts is hij zwenkende Eenlijf.

Maar een vis is zo doof als zijn meester
hij blijft maar een weekdier.

Pas het Woord, gesproken, gehoord
geeft lijf aan een zucht
er zit god in de lucht

en water is vroeger en later.
Dus bedenk u: Eenlijf is geenlijf
eigen is stijgen.

 

21 Deze hele bundel: als water wisselen soorten van gedichten. Maar het is steeds dezelfde som die wordt uitgewist.

onbewezen leegte er
zal een dag van morgen zijn die nooit zal zijn
de onbegrepen som zal zijn uitgewist
met het spiegelbeeld zal zijn afgedaan
het leven zal gaan

als de nachtelijke kaatsing van een zwaan.

 

22 In tijdgebed

Nu zijn wij in en buiten de tijd
nu zijn wij water
nu zijn wij zonder voorbehoud verloren
wij stromen stromen in de slaap

Wij, wateren tezamen eenzaam
onafzienbare arbeidzame rivier
langs de landtijd –

gaande verwijlend
van plek tot plek het andere wezen
plaatsvoerend hier en daar

aan zichzelf alleen ruimende
eenzaam tezamen
een tijd stromend door de tijd

één doorlopende bedoeling
vloeiing rusteloos betogend
bewusteloos getuigend

openlijk water maar gesloten
zichzelf een boodschap belovend
wachtend op openbaring
en alvast stromend

water reiziger zichzelf voorbij
rivier de voor altijd voorlopige
met het wonende stromende geheim.

Stad van mensen in de nacht.
Nu slapen allen tezamen eenzaam
langs de landtijd,
in het andere wezen
bewusteloos getuigend.
Onze nachten stromen door de dagen
magisch tezaamgedragen tot een gaande
geheime rivier.

Nu zijn wij stromende gered
nu zijn wij zonder voorbehoud verloren
zo zijn wij water
stromend stromend in de slaap.