Drie zangers

58 Song

(muziek: combo)

42 years old and a Dutchman –
When a boy I saw the war
(ik wil niet dat je alleen gaat)
I don’t want you to go alone.

42 years old and a Dutchman –
Was a boy, what was I for?
(ik wil niet dat je alleen gaat)
I don’t want you to go alone.

Not a beggar soul not a much-man
bit of sea a bit of shore
Have got the life and the melody
the sore and the remedy
the work and the family
to care for

42 years old and a Dutchman
and the father of a son
(ik wil niet dat je alleen gaat)
I don’t want you to go alone.

You are 10 years old and a-shining
bit of all and due for more
You get the great and the heavenly
the work and the family
the hell and the malady
to care for

Oh you son of a she and a Dutchman
in the stars there may be war
(ik wil niet dat je alleen gaat)
I don’t want you to go alone.

I try to see
how could be
the life and the melody
the loving and the remedy
the ending of my going alone

You see
what is me:
42 years old and a Dutchman
bit of sea a bit of shore
when a boy I saw the war
What are stars and weather for?

(Ik wil niet dat je alleen gaat)
I don’t want you to go alone
May be
this is me:
a tone in a history
a letter in a memory
goodbye I wish you company
to care for

May be
this is me:
coming flash and going bone
doer of the things I ‘done

May be
this is me:
soil for you to go upon
that will never let you go alone.

 

60 Lied voor een zanger

ARGUMENTUM

Unde ille, unde undae?

Groter is de wind dan waaihout, groter de slaap dan de slaper, maar ere de wachter die omvalt.

Men komt uiteindelijk daar in de gescheurde kring, van stenen liggend in een wijdere teken dat koningen verdwenen. Groter is de wind dan waaihout, groter de God dan de mensen. Hoor, aangaande de wachter.

Verwekt door de persing der eeuwen – als wij uit leem, maar sterker dan zijn merk. Met listig opzet is hij hoog gebenedijd: een Zoon, een geroepene. Maar het lot stelt hem aan op het punt van de draaiing.

Dan brandt haat van het uitzinnig uurwerk de redder neer, verwoest door wat aanwentelt. Rechtop in onweer en bliksemen verricht hij een taak, een man met verweer om de schedel.

Er is niets van hem over. Kijk, van een pop: in het gras ligt een beentje. Maar een koning verpulvert.

Zoals trots een kleine jongen doet als zijn vader, maar plots raast een andere vader hem neer. Welaan: hij verbijt zich en houdt de vroegere vader in ere, hij kent nu de vijand en weet al zijn meester – de eerste, de grote.

De vader die dient hij, hij is trouw. En hij slaat met niet aflaten de machtigen, de reusachtigen, de honden van de nieuwe God.

Hoe kan de mens bevatten wat er is? Koos mijn koning als die jongen zo onnozel, zo vast verblind? Ja en hij staat en weet meer – dan stom oergebroed van onweerwolken, de rechters zonder aangezicht, de vloed en moordenaar vuurvlam.

Hoe kan een sterke boom overlopen naar de winnaar? Hij voert het gras aan, hij leidt bloemen, ook zijn wij het mos op zijn stam. Hij is de grootste onder ons en ziet zeer ver. Hij is een held op zijn post.

Groter is de wind dan waaihout, groter het rad dan de mens. Maar de maat van een koning is de maat van ons vergeten. Een pint bier zal ons goeddoen.

 

62 Bericht in oorlogstijd

Maria lieve die verkiest
te leven tegen elk verdriet
lief moedertje van nooitverloren.
Uw hand op ons verbrand gebied.

Maria zendende, die redt
de hoeken van de kring bezet
met kalme vrienden wandelaars
en aanziende het Kwaad belet –

moeder Maria ik bestem
mijn mannenzwakte en beken
voor uw geheime dienst in code
mijn liefde in de letter M.