Draaiend rad


50 De ramp

Als een brug in een ver land van oorlog.

Lelijk als brokken van een brug
ligt een gedicht in het water.

Wij zijn het gedicht, hier is het gedicht.

Er stroomt naar eigen aard, er is verschil
niet uit te houden.
Hier wat niet kan zoals door dood uiteenvalt.

Voorbij octoberlicht
leidt een weg door ruimten.
Twee kinderen te voet
herfstzicht en lente
wolken voor buiten.

Je pasfoto wint soms,
je duisternis welt aan
tot klein vuur op een voorzingend uur.

Jij gegaan met het weer buiten Utrecht
je komt niet terug ik loop en zeg
mijn voeten op de weg.

 

51 Aan de gestorvene

Een boom geplant aan waterstromen.
Mijn lief die mij droeg in je lover
hier mijn brief
Ik kon niet komen.

 

52 Gesprek

Ik kan in een gedicht niet nadoen
je lieve stem en hoe je ‘hai’ zei.
Vandaag hoor ik je bij mij
je groet en groet – en ik of jij
zei zacht het is voorbij.

Je hoort bij mij, ik hoor bij mij,
ik hoor:

toe liefje, nú doen.

 

53

Je dochter is nu heel, mijn lief.
Haar kracht vermag zoveel mijn lief
ze maakt de moede dingen mooi
en waar ik drijf daar wortelt zij
we wonen allebei bij mij.
Pappa,
is benen breken nu voorbij?

Je man je droom je ongetij.

Wees blij je vogels komen bij

en ooit is lichter zoals jij

 

54

Je bent erbij. Ik ben er weer niet bij.

Een rekening waait in de wei.
Je hebt al eenenveertig jaar
vooruitbetaald voor vrij en blij.

 

55

Ze trok van hier, mijn eigen vrouw.
Weeral houd ik nu lief van jou
ai wat ik van de ander nam
en stil ontvang, dat geef ik jou.

 

56

Je bent mij nieuw zo nieuw als dauw.
Mijn lieveling verdampt zo gauw
wie woont bij engel weerkeer weet:
het morgengras bezet met trouw.